maandag 28 april 2014

Genocidediscussie in Twente en in Turkije

Naar aanleiding van de onthulling van het Armenian Genocide Memorial in Almelo en de gelijktijdige protestactie van een groep Turkse Almeloërs tegen deze onthulling bij het Almelose stadhuis schreef de interim-hoofdredacteur van de Twentsche Courant Tubantia in de krant van afgelopen zaterdag een soort verantwoording waarom de krant aan beide gebeurtenissen aandacht heeft besteed ook al ligt de aanleiding alweer bijna 100 jaar achter ons en ook nog eens in een ver land. 


Toen we deze "verantwoording" zaterdag in een openbare gelegenheid bespraken, kregen we het verhaal van een ambtenaar bij de sociale dienst van een gemeente in Twente te horen dat Armeense vluchtelingen uit Syrië die zich bij zijn dienst kwamen melden absoluut niet geholpen wilden worden door zijn collega's die uit Turkije afkomstig waren en dat een aantal uit Turkije afkomstige collega's ook moeite hadden om deze Armeense vluchtelingen te helpen.


Het ligt allemaal dus minder ver weg in tijd en plaats dan je met de interim-hoofdredacteur zou veronderstellen. Wat ons echter opviel is dat de weerstand en onverzoenlijkheid hier in het Twentse, ondanks de afstand, groter zijn dan in Turkije. Deze constatering vormde de aanleiding tot het schrijven vandaag van de onderstaande reactie op de "verantwoording":


In zijn column “Genocidekwestie splijt Almelo” in de Twentsche Courant Tubantia van afgelopen zaterdag 26 april 2014 schetst interim-hoofdredacteur Ger Dijkstra de achtergronden van een tweestrijd die zich twee dagen eerder in Almelo afspeelde tussen de Armeense gemeenschap die de op hen en andere christelijke minderheden in het toenmalige Ottomaanse Rijk in 1915 gepleegde genocide wilden herdenken en de Turkse gemeenschap die in de binnenstad tegen deze herdenking protesteerde en het officiële standpunt van de op de puinhopen van het Ottomaanse Rijk in 1923 gestichte Republiek Turkije kenbaar maakte dat er in 1915 weliswaar massamoorden hebben plaatsgevonden, maar dat geen sprake was van genocide.

In Nederland is de term genocide voor, wat in Turkije “de gebeurtenissen van 1915” heet, in 2004 Kamerbreed aanvaard; in Turkije is het wettelijk verboden om in dit kader van “genocide” te spreken, zo wordt de tweestrijd nog wat scherper gesteld. Dit klopt, maar met name in Turkije is het beeld inmiddels minder zwart wit en wat dat betreft is het deel van de Turkse gemeenschap dat afgelopen donderdag in de Almelose binnenstad tegen de genocideherdenking protesteerde “roomser dan de paus”.

Om te voorkomen dat we in een hele lange schets van toenaderingspogingen te willen verzanden, beperken we ons tot een paar gebeurtenissen die vorige week in Turkije plaatsvonden. Zo heeft het Turkse parlementslid Sallahatin Demirtas openlijk, tijdens een partijbijeenkomst van zijn partij, de BDP, een oproep aan premier Erdogan gedaan om zich in het openbaar uit te spreken voor de erkenning van de genocide op alle christelijke minderheden en deze bij hun naam te noemen.

Op 24 april hebben honderden mensen in verschillende steden in Turkije, zoals Ankara en Izmir, demonstraties gehouden met als eis dat de Turkse regering de genocide zou erkennen.

En op 23 april heeft premier Erdogan de nabestaanden van de vermoorde Armeniërs openlijk en in zes verschillende talen gecondoleerd met het verlies van hun familieleden. In de verschillende toespraken die op 24 april bij de onthulling van het genocidemonument in Almelo zijn gehouden werden dit gebaar van Erdogan verwelkomd als eerste stap naar een volledige erkenning. Weliswaar nog niet voldoende, maar er was waardering voor het feit dat hij deze stap zette en daarmee ook in de Turkse samenleving doelbewust ruimte creëerde om hierover openlijk te spreken zonder bang te hoeven zijn voor het wettelijke verbod.

De Turken die, met een beroep op het officiële standpunt van Turkije, in de Almelose binnenstad demonstreerden tegen de herdenking van de Armeense genocide gaan ten dele dus ook tegen het beleid van de huidige Turkse regering in.

De Turkse erkenning van de genocide is geen strijd om dode letters en ook niet om lang geleden gedode mensen. Met de ontkenning van genocide pleeg je de genocide als het ware nog een tweede keer. Je ontneemt een bevolkingsgroep niet enkel hun bestaan, maar ook nog het feit dat ze ooit bestaan zouden hebben. Een bloeiende, eeuwenoude Armeense, Aramese en Griekse christelijke cultuur werd in korte tijd in het huidige Turkije uitgewist door niet alleen mensen te vermoorden, maar ook kerken en cultuurgoederen volledig te vernietigen en de schamele overlevenden van hun eigen taal en namen te beroven. Het ging om de vernietiging van niet-Turkse identiteiten in het Ottomaanse Rijk zodat op de puinhopen van dit multiculturele rijk een staat met een sterke enkelvoudige Turkse identiteit gesticht kon worden. Het wegnemen van de identiteit van de ene bevolkingsgroep en het versterken van de identiteit van de andere bevolkingsgroep maakt dat deze genocide voor beide bevolkingsgroepen zo gevoelig ligt. Juist ook in den vreemde.

Juist in deze tijd waarin, op het grondgebied van het voormalige Ottomaanse Rijk, in het noorden van Irak en Syrië, waar 100 jaar gelden zoveel Armeense en Aramese christenen naartoe zijn gevlucht of verdreven, nu weer talloze mensen op de vlucht zijn en verdreven worden, is het noodzakelijk om de gebeurtenissen van 100 jaar geleden en van nu onder ogen te zien en te benoemen. Zo nodig als genocide. 

Voor alle betrokkenen, Armeniërs, Arameeërs en Turken is deze genocide namelijk niet enkel iets van 100 jaar geleden, maar zijn het gebeurtenissen die tot op de dag van vandaag doorwerken en een alledaagse realiteit vormen.




Geen opmerkingen:

Een reactie posten